Van een klooster int quade Laer – fragment

Fragment uit het boek ‘Het Laerhof en zijn nobele bewoners, van bisschop Caïmo en ridder van Delft tot Sint-Lucas’ van Katleen De Vylder

Graag correcte bronvermelding!  Bron: Het Laerhof en zijn nobele bewoners, van bisschop Caïmo en ridder van Delft tot Sint-Lucas’ van Katleen De Vylder.  D/2014/Katleen De Vylder, uitgever

Van een klooster int quade Laer

(…)
Over het klooster werd niet enkel regelmatig geschreven maar ook mondeling hoorde ik allerlei verhalen waarbij nu dan eens paters en dan weer nonnen de hoofdrol speelden. Voor mij leek het soms echt meer op een legende dan een waar gebeurd verhaal. Gelukkig werd dit mysterie tijdens deze 21ste eeuw ontrafeld.

Het klooster op het Laar zorgt al decennia lang voor speculaties.
Verscheidene bronnen verwezen naar de aanwezigheid van een klooster van Sion op het Laar. Dit zou gesitueerd geweest zijn vlakbij waar later het oude Laerhof was.
Het boek ‘Kerkelijke Geschiedenis van Eeckeren’, 1914, van pastoor Peter Jozef Goetschalckx werd meermaals als bron gebruikt en zo werden vele onderzoekers meestal op een verkeerd been gezet. Soms werd deze tekst een beetje verdraaid of verder aangevuld. Ondanks de grote verdiensten van deze pastoor als tussenpersoon tussen de kasteelheren en de gewone bewoners en ook als geschiedschrijver, liet hij in verband met het klooster wel enkele steken vallen.
Zo merkt mijn grootvader Frans Bresseleers reeds op in zijn boek ‘De Nobele Donk’:
(…)Hij -pastoor Goetschalckx- heeft hier en daar zijn stof nogal verward behandeld, zodat vaak de hoofdlijnen erbij verloren zijn gegaan. In zijn ‘Kerkelijke Geschiedenis van Ekeren’ besteedt hij  bijvoorbeeld 25 volle bladzijden aan een vroeger klooster te Ekeren-Laar-Mishagen. Deze uiteenzetting lijkt zo verward, dat zelfs na herhaalde lezing niemand er wijs uit kan worden.(…)

Ook bij de toponiemen beschreven in De Nobele Donk zijn er verwijzingen naar het klooster:

(…)Mishaeghen int Quade Laer: 1736, (Rijksarchief te Antwerpen, Verzameling Ekeren). Het toponiem ‘Mishaeghen’ met de bijvoeging ‘int quade Laer’ komt bij ons meermaals voor. Wij hebben te Ekeren (Hoogboom) een ander ‘Mishagen’ (in 1420 reeds ‘Muschagen’). Het eerste lid = mos en wijst op moerassige bodem; het tweede lid = hagen, dit is bos of laagstammig kreupelhout.
De bijvoeging ‘int quaede Laer’ geschiedde vermoedelijk om het Mishagen in het Laar te onderscheiden van dit in Hoogboom. Mogelijk ligt de oorsprong van het ‘Mishagen int quaede Laer’ door de overgang van een deel der kloosterlingen uit Mishagen-Hoogboom naar het Laar. Anderzijds is het ook een feit dat Mishagen te Hoogboom op meerdere kaarten verkeerd gesitueerd werd. De kaartenmaker nam de fout van zijn voorganger over en zo ontstond een verkeerde situering van de plaatsnaam Mishagen. Wij vinden de fout op de kaarten Janssonius, Langeren, De Wit 1666, Visser 18de eeuw. Het klooster van Mishagen staat soms nog aangegeven wanneer het lang verdwenen was.(…)

Dolisdonck: 1736 (Rijksarchief te Antwerpen, Verzameling Ekeren, 220, 18 sept.) ‘stuck lant tot Mishaeghen int quade Laer’.

Dr. Ward Van Osta is een Germaans filoloog met grote interesse voor toponymie, heemkunde, volkskunde en plaatselijke geschiedenis. Hij heeft eindelijk, na vele jaren opzoekwerk, heel het kluwen van het klooster op het Laar kunnen ontwarren.
Heel het verhaal kan men lezen in ‘Brasschaet een boeiend verleden’, hoofdstuk ‘Mishagen: een hoeve, een klooster, een kasteel’ of ook nog meer gedetailleerd in uitgaven van Breesgata nr. 1983-1984 en vooral in ‘Mishagenklooster: het mysterie opgelost!’ van 1998.
De korte samenvatting van het verhaal van het klooster op het Laar hieronder maakt ook al veel duidelijk.

Zonder Docter in medicijnen, Claus Bouwens, een Antwerps dokter, kapitalist en weldoener, zou er nooit sprake geweest zijn van een klooster op het Laar.
Deze Claus Bouwens trouwde in 1470 met de erg vermogende weduwe Jonffrouwe Dorne Poppe Haymanssones dochter.
Claus Bouwens werkte zich na verloop van tijd op tot een succesvol geneesheer en vanaf circa 1476 kwam zijn eigendomsverwerving flink op gang. Naast onder andere twee huizen in Antwerpen  kocht hij ook enkele uitgestrekte gronden in Hoogboom. In 1479 kocht hij het Grote Mishagen van het echtpaar Wisch-Stuer en in 1480 kocht hij van de Sint-Bernaardsabdij de Kleine Mishagen. De totale oppervlakte was ongeveer 136 ha.

Zowel Claus Bouwens zelf als zijn echtgenote Dorne hadden bezittingen in Zeeland. Het spreekt voor zich dat Claus Bouwens ook af en toe naar Zeeland moest reizen om daar hun zaken te behartigen.
Tijdens deze reizen moet hij ook in contact gekomen zijn met de monniken van het kleine klooster van Rengerskerk op Schouwen-Duivenland.
Dit klooster van Reguliere Kanunniken droeg de naam ‘Bethlehem’ en werd in of kort na 1476 opgericht. Het verzoek tot oprichting werd in 1476 ingewilligd door bisschop David van Bourgondië en in 1479 werden er door het Generaal Kapittel van Sion een prior, supprior en procurator benoemd.
Al vlug bleek dat het kleine klooster erg ongunstig gelegen was. Het lag op een eiland dat voortdurend door overstromingen geteisterd werd, zodat zelfs het klooster voor het grootste gedeelte verwoest werd.
Een betere vestigingsplaats was aan de orde en die kwam er gelukkig dankzij Claus Bouwens. Hij schonk zijn goed ‘Mishagen’ aan de monniken van Rengerskerk.
Lodewijk van Bourbon, bisschop van Luik, gaf de paters Augustijnen van Rengerskerk de toelating tot het oprichten van een klooster op een plaats ‘met al zijn toebehoren en gebouwen’ zoals die door een bepaald Antwerps burger, Claus Bouwens, op 25 april 1482, aan hen geschonken was.

Op dit nieuwe zogenaamde ‘Klooster van Mishagen’ kwam de prior van Rengerskerk zich met enkele paters vestigen.
De paters bewerkten de grond en richtten enkele gebouwen op waaronder een kapel. Ondanks de vele arbeid en investeringen bleek de grond spijtig genoeg te onvruchtbaar om in het levensonderhoud van de paters te voorzien en hun lasten te dragen.
Nadat de paters hun hopeloze strijd reeds in 1483 opgaven keerden zij terug naar hun Zeeuws klooster. Ook dit zou echter niet lang meer blijven bestaan.

Het Kapittel van Sion droeg het klooster van Mishagen over aan vrouwelijke kloosterlingen van dezelfde orde.
Hun klooster op Mishagen, waar zij met vele zusters samen woonden in grote armoede, droeg de naam ‘Vallis Josaphal’ – dal van Josaphal.
Zij werkten ook erg hard, maar toch konden zij de toen zanderige en onvruchtbare streek niet vruchtbaar genoeg maken voor hun grote gemeenschap. Daarnaast moesten zij ook nog een reeks cijnzen en lasten betalen. Mede door het mislukken van irrigatiepogingen werden zij gedwongen te verhuizen naar een meer geschikte, vruchtbare plaats.

In 1486-1487 werd het klooster van Mishagen opgesplitst en verhuisde een aantal zusters naar Heindonk – bij Willebroek – waar zij een nieuw augustijnerklooster oprichtten onder de naam ‘Vallis Pacis’ – Vrededal.
De overige zusters verhuisden naar het Laar te Ekeren waar zij een nieuwe kleinere eigendom konden verwerven. Het voor hen nieuwe klooster kreeg officieel de naam ‘Mons Pacis in Sion’ – Vredeberg -, maar men bleef het ‘van Mishagen’ noemen.
Zo spreekt men van ‘den godshuyse van den muschhage’, of ‘clooster van muschagen’, naast de eigenlijke naam ‘godshuys van Chyon’, of een combinatie van beiden: het godshuys van Syon van muschagen, den cloostere van Syon van mushaghen, godshuys van Syon alias mishagen.
Pas vanaf 1501 werd het klooster aangeduid met toevoeging van de nieuwe situering op het Laar.
In dat jaar schonk Jan Crombach een rente op een stede te quaeyenlare aan zuster Katline Wijchmans, religieuze inden godshuyse te quaden lare onder Eeckeren gelegen.
In 1509 schonk hij heel zijn hofstede die aan het klooster paalde aan het klooster.
Daar men de Laarse zusters en hun klooster ‘van Mishagen’ bleef noemen, werd het toen al snel de gewoonte om de omgeving rond het Laarse klooster ook ‘Mishagen’ te noemen.
Om de locatie te onderscheiden van het ‘echte’ Mishagen, in Hoogboom, vermeldde men vaak de toevoeging ‘Mishagen op het kwade Laar’.
Tot 1736 wordt nog ‘Mishaegen int quade laer’ aangetroffen, maar daarna sterft het toponiem af.
Het klooster op het Laar kende een relatieve bloei. In 1526 telde de gemeenschap 22 religieuzen, een biechtvader, een kapelaan, een meid en twee knechten.
In 1528 brandde het klooster af, maar werd heropgebouwd. Om diverse redenen ging het na verloop van tijd echter bergaf. In 1563 telde het klooster nog maar 7 nonnen en werd er besloten tot een fusie met het klooster Vredenberg in Breda waar de Laarse zusters op 4 december 1567 naar verhuisden.
De kloostergebouwen op het Laar werden in 1568 verkocht aan de Engelse Brigitinnen, die in 1559 omwille van kerkvervolging onder Elisabeth I hun land waren ontvlucht. Deze Engelse zusters vertrokken echter reeds in 1572 naar Mechelen en zouden via Rouen (1580) en Lissabon (1594) uiteindelijk terug in Engeland belanden in 1861, waar ze sinds 1887 hun klooster hebben in Chudleigh in Devon.
De hoeve naast het Laarse klooster bleef evenwel met de bijbehorende gronden eigendom van Vredenberg en werd verpacht. In 1563 aan Thomas Vriesels voor 7 jaar, in 1570 aan Adriaen Van den Bogaerde voor 6 jaar, in 1580 aan W.F. Van Oorschot en in 1623 was de huurder Hans Gabriëls die de kapel als schuur gebruikte.
In 1654 verkochten de Brigitinnen de Laarse kloostergoederen aan ene Jan Verhoeven. De hoeve naast het klooster zou echter in handen blijven van Vredenberg tot aan de Franse Revolutie. In 1749 werd deze hoeve bijvoorbeeld nog verpacht door Vredenberg (Lier) aan Fr. Philipsen.

(…)

prescription scuba masks

adderall

healthcare management career

tetracycline online

enteral drug administration

buy viagra

uic internal medicine

viagra online

siemens healthcare malvern pa

buy dapoxetine

healthcare management jobs

lorazepam

ear nose and throat doctors

priligy

pharmacy tech school

buy viagra

birth control pill prices

buy doxycycline online

animal drugs

buy phentermine 37.5

drug war news

azithromycin